De Gebroeders van Ulm – Een berucht muntenschandaal in Den Haag
Een vergeten Haagse misdaadgeschiedenis
In de 19e eeuw kent Den Haag een schandaal dat de stad op zijn grondvesten doet schudden. Midden in de statige hofstad blijkt zich een ondergrondse handel af te spelen die bijna de hele economie ontwricht. De namen van Barend en Joseph van Ulm, beter bekend als de Gebroeders van Ulm, werden synoniem met fraude, spanning en publieke straf.
Het snoeien van goud en zilver
In een tijd waarin papiergeld nog niet echt bestond, draaide alles om munten. Precies dáár vinden de broers Van Ulm hun kans. Ze houden zich bezig met het snoeien van muntstukken: van de randjes van goud- en zilvergeld worden kleine stukjes afgesneden, die vervolgens omgesmolten werden tot nieuw edelmetaal. De munt zelf ging weer terug in omloop – iets lichter, maar nauwelijks merkbaar.
Het probleem loopt echter uit de hand. Er komen steeds minder gave muntstukken in omloop en al snel is bijna elke munt beschadigd. Wat begint als sluwheid, wordt een economisch gevaar.
De ontdekking – undercover rond de Voldersgracht
De handel vindt voornamelijk plaats rond de Voldersgracht, waar de Van Ulms wonen. Het politiewerk lijkt aanvankelijk machteloos, totdat commissaris Waldeck besluit zelf de onderwereld in te gaan. Vermomd begeeft hij zich onder de verdachten (al snel krijgt hij de bijnaam “Slome Hein”) en weet zo hun netwerk bloot te leggen – is hij daarmee één van de eerste ‘undercoveragenten’?
Op 26 januari 1846 wordt de hele wijk afgezet door cavalerie, lansiers en jagers. De politie stormt binnen in de huizen van verdachten en vindt overal bewijsmateriaal. In paniek proberen de snoeiers goud en zilver te verbergen in privaten, grachten en riolen, maar het is te laat: de bende wordt ontmaskerd.
Het vonnis op de Grote Markt
Op 29 januari 1847 worden de Gebroeders van Ulm veroordeeld. Het vonnis is streng en publiekelijk. Op de Grote Markt worden zij met een strop om de hals met roeden gegeseld. Daarna worden ze gebrandmerkt met het teken van de Haagse ooievaar in hun rug – een litteken dat hen voor altijd als misdadiger kenmerkt. Tot slot volgt een straf van twaalf jaar opsluiting in het tuchthuis.

De Van Ulmpoort – een naam die bleef hangen
De herinnering aan de broers leefde nog lang voort in Den Haag. Aan de Voldersgracht kreeg een steeg de naam Van Ulmpoort – niet als eerbetoon, maar als herinnering aan een van de beruchtste fraudezaken uit de Haagse geschiedenis.